|
|
Opgetekend: 19 oktober 2002...
De boot ligt te dobberen, de passagiers liggen te kleumen.
De haven waar men af wil meren is bezaaid met duizenden lichtjes, men
kan de ogen niet afwenden.
De kapitein heeft zijn schip weer betreden. Enkelen onder de
passagiers sluiten hun ogen stelselmatig.
Het licht wenkt, de zee is vlak.
Voordat nieuwe stormen op komen zetten, mag de haven worden betreden om zichzelf te bevoorraden.
Nieuwe zaken worden ingeslagen.
De rustperiode kan worden gebruikt om nieuwe energie op te doen.
Samen mag men de dekken schrobben, samen mag men de nieuwe koers uitzetten.
De maan staat vol te stralen.
De passagiers begeven zich naar hun kooien.
Met een verrekijker turen enkelen over de reling of de andere schepen al zijn aangekomen.
Dan kan men gelijktijdig van boord, om nieuwe steden te ontdekken.
En te dwalen langs de onnoemelijke pracht waar men even van mag genieten.
Al samen wandelend kan men bundelen en de rugtassen inspecteren.
De ballast kan worden verdeeld om lichter het schip te kunnen betreden.
De handen kunnen naar elkaar reiken, de stilte kan hen verbinden.
Het hart kan samensmelten, de lichamen kunnen één worden.
Dan breekt er iets los, het pantser gaat verdwijnen.
Gesterkt en gezuiverd en vervuld van iets dieps gaat men naar het laatste stuk op het schip.
Dan zullen de stormen beuken, de ledematen trillen.
Maar diep van binnen is dan de eenheid al tot stand gebracht.
Al zijn de stormen nóg zo zwaar, het kan men niet meer deren.
De eenheid die dan aanwezig is doet verlatenheid verdwijnen.
Alle passagiers weten onbewust dat de reis, die alleen is gestart, eindigt na zware ontberingen
in volledige harmonie. |
 |
|
|