|
|
| Opgetekend: 26 augustus
2004... |
|

|
De zee, met al zijn oneindige diepten, weerspiegeld zijn glans in
het maanlicht. De boot is als een onbestuurbaar object, een notendop
op de kolkende golven. De storm is losgebarsten. In alle hevigheid
beukt hij op de kademuren en daarboven in het flauwe licht tekent
zich een ware tornado af.
Een boot vol met mensen stevent roekeloos op de kust af. Alle
navigatie is uitgeschakeld en de reddingsboeien zijn overboord
geslagen. De mens siddert en probeert zich te vermannen. Was dit nu
de tocht waar zo lang over werd gesproken? Is dit nu het totale
vertrouwen dat nu in alle toonaarden op de proef wordt gesteld?
Ineens verschijnt daar de kapitein, de leider. Hij maant tot kalmte,
laat merken hoe oneindig groot het uithoudingsvermogen reikt van de
mensen die een rotsvast vertrouwen hebben. Dan deren er geen
stormen, verdwijnt vanzelf die diepe angst. Het laat mensen over het
water lopen. Als de kracht van binnen maar sterk genoeg is.
Laat vallen die handen, angst van de gezichten, de hulp is nabij. De
leider brengt u naar veilige havens, de tocht duurt nog maar kort.
In de naam van hetgeen u voor staat: maak de tocht af, zodat uw
geest kan herrijzen tot ongekende hoogten. |
|
|