|
|
Opgetekend: 14 december 2011
Voorwoord
Je gaat 's morgens naar je werk. Al dagen een angstig voorgevoel, maar
je bent plichtsgetrouw en vervult je taak. Voordat je het beseft heeft
een
ander je leven genomen. Na een relatie van enkele korte maanden volgt
het noodlot.
Haar gids geeft door:
Waar ben ik? vraagt ze...
Wat is mij overkomen?
Ik leefde zo prettig op de aarde.
Voelde mij jong, kon zo fijn uitgaan.
Klopt het dat ik niet meer leef?
Heb je mij het leven ontnomen?
Was je zo jaloers?
De gids vertelt:
Zij leefde voortdurend in angst, was bang om te sterven. Wat is
de functie van dit al?
Zij was pas 18 aardse jaren.
Een ander het leven ontnemen en de hand aan zichzelf slaan. Wát
een karmische daad!
De engelen zullen zich over haar ontfermen en de rust zal
wederkeren. Ik, als gids, zal haar bijstaan en trachten haar
geest te verlichten. |
 |
|
|