|
|
Opgetekend:
16 januari 2007..
Twee zielen lopen innig in de velden. Een man en
een vrouw, stevig gearmd. De pas er goed in, hard lopend voor
het zware weer.
De bomen zwiepen, de wolken gieren. Heftige flitsen in het
heelal. Het zware weer is losgebarsten. De bomen trillen op de
grondvesten.
Het begin van een cyclus is ingegaan, het zware weer is ingezet.
De weg die men loopt wordt steeds zwaarder en is straks
praktisch niet meer toegankelijk.
Striemen in het gezicht. De man slaat beschermend zijn armen om
haar heen. Struikelend over boomwortels vallen zij tenslotte
neer.
Vanaf de besmeurde grond proberen zij weer te gaan staan, om
daarna weer omver geblazen te worden. De ogen uitpuilend door
het hevige geweld.
De aarde dreunt op zijn grondvesten. Zij slaan de handen voor
het gelaat. Diepe rimpels tekenen zich af. De ontzetting staat
op de gezichten.
De handen omhoog geheven: Heer, wij weten het niet meer. U heeft
ons klein gekregen, lichaam en geest zijn geknakt..
En de storm gaat liggen.
Zonnestralen gloren aan de hemel. Twee doorweekte verloren
mensen voelen weer de eerste warmte..
Een gebed stijgt op, de handen samengevouwen.
Dat ze deze krachtstrijd mochten doorstaan en een nieuwe kans
van leven krijgen.
In diepe nood gingen ze op de knieën.
De man en de vrouw, een eenheid die gezamenlijk met kracht van
het Hogere hun totale stuk hebben mogen voltooien.
De Goddelijke wereld dankt ze daarvoor.. |
|
|